Steven Jacobs

 

Sanitaire duisternis:

over LAVABO van Lukas Vandenabeele

 

 

1.

LAVABO (2013-15) bestaat uit een reeks van een twintigtal foto’s die gaten laten zien in wastafels van publieke en private toiletten. De foto’s tonen niet de afvoergaten maar de overloopopeningen, die in de meeste wasbekkens zijn ingebouwd om overstromingen te voorkomen. Sommige openingen zijn rond, andere bezitten langwerpige, horizontale vormen met afgeronde hoeken. Ofschoon de openingen van elkaar verschillen, tonen alle foto’s een zwarte, ietwat onscherpe vorm die afsteekt tegen het grijze, gelige of blauwige oppervlak van het wasbekken uit porselein, email, metaal of kunststof. Het harde licht, dat steevast in publieke toiletten of in badkamers aanwezig is, heeft in de omgeving van de overloopgaten een deel van zijn intensiteit verloren. Soms is een schaduw van de bovenrand van het wasbekken zichtbaar. Hoewel de foto’s dankzij hun frontale en gecentreerde composities en hun presentatie in reeksverband binnen een strak raster een zekere plechtstatigheid evoceren, bezitten ze ook een zekere slordigheid. Ze zijn niet haarscherp, bij nader inzien niet perfect symmetrisch en het ter plekke aanwezige kunstlicht reflecteert op het gladde oppervlak van de wastafels. Deze “fotografische imperfectie” strookt met de imperfecties van de wasbekkens die sporen van slijt of vuil vertonen. Het zuiverende, reinigende water, dat in vele rituele en religieuze contexten een rol speelt, roept meteen zijn tegendeel op: stof, zweet, huidschilfers, pis, stront. Ofschoon Vandenabeele in zijn kunstpraktijk en in zijn teksten geregeld verwijst naar rituelen, focust zijn fotoreeks overduidelijk niet op diverse manifestaties van een doopvont, aquamanile, mikvah of tskubai. Integendeel, LAVABO bestaat slechts uit een reeks representaties van banale stukken sanitair. In plaats van een fons perennis of een kraan die het purificerende water brengt, zien we een gat dat dient als afvoer.

 

2.

De openingen verschijnen als een mysterieuze duisternis. De ronde vormen zonder scherpe randen roepen zelfs beelden van een zonsverduistering op: zwarte cirkels lijken te zweven, zich terug te plooien, iets te verbergen, alle licht in zich op te zuigen. Zwarte gaten. Ze zijn mysterieuze afgronden die onze blik op onontkoombare wijze naar een onzichtbare diepte lokken – de diepte van zich slingerende buizenstelsels en krioelende, ondergrondse riolen die aan ons oog worden onttrokken. Het zijn kleine zwarte vlekjes die slechts de uiterste holle uiteinden van een gigantisch verscholen netwerk markeren. In Le Città invisibili beschrijft Italo Calvino de stad Armilla, die “geen muren heeft, geen plafonds, geen vloeren: het heeft niets dat het op een stad doet lijken, behalve waterleidingbuizen die verticaal omhoog gaan waar huizen zouden moeten zijn en zich vertakken waar verdiepingen zouden moeten zijn: een woud van buizen die uitkomen op kranen, douches, zwanenhalzen, overlooppijpen.”  Armilla, schrijft Calvino, is enkel nog bewoond door nimfen en naiaden. Armilla gaat misschien wel schuil achter LAVABO.

 

3.

Met hun evocatie van een mysterieuze duisternis en hun allusie op een verscholen constructie, resoneren de foto’s uit LAVABO met vele andere werken uit het oeuvre van Lukas Vandenabeele. In het bijzonder kan hier verwezen worden naar diverse recente realisaties die bijvoorbeeld de onzichtbare en in duisternis gehulde binnenruimten van mondholtes (1:3, 2015), presidentiële limousines (SARKO, 2012) of kookpotten (DEFENITELY CLOSED POT, 2016) thematiseren. “Hier en daar,” schrijft Vandenabeele in één van zijn notitieboekjes uit 2012, “is de duisternis nog niet geschonden. Sommige kookpannen die al heel lang niet meer gebruikt worden, bewaren in zich die randenloze donkere ruimte. Zij staan daar in de keukenkast. Onder hun deksel heeft het dagelijks opkomende licht geen toegang. (…) Vanavond, als de kering geheel is, ga ik tastend naar de keuken en zal ik de deksels oplichten. En in een bewegingsloos gebeuren van verzoening raakt dan die grote verse duisternis die kleine oude restant.”  Jaren eerder merkte hij al op “hoe de duisternis toch altijd de minderwaardige wordt van de klaarte. Meedogenloos is ze door onze lampen geblameerd: zaklampen, leeslampen, straatlampen, buislampen.”  Dit meedogenloze licht heerst in onze badkamers en toiletten, die nochtans alles in het werk stellen om zich af te schermen van de blik van de ander. Alsof de verborgenheid het klinische neonlicht nodig heeft. De overloopgaten leiden naar “een plek waar het licht nooit schijnt” – een uitdrukking die in verschillende talen wordt gebruikt om de aars of anus te omschrijven. In die zin hebben de gapende gaten in LAVABO ook iets dreigends: datgene dat discreet werd afgevoerd, datgene wat we verborgen willen houden, datgene dat we hebben verdrongen zou misschien wel ooit terug naar boven kunnen komen. Met zijn ode aan het verborgene, appelleert LAVABO tevens aan het archetypische horrorscenario van een angst voor een virus dat zich onmerkbaar verspreidt via de leidingen. LAVABO presenteert zich als een juxtapositie van dreigende gaten – misschien wel kijkgaten waarbij we uit de duisternis bespied worden.

 

4.

Ook vanuit een ander perspectief sluit LAVABO zowel inhoudelijk als vormelijk aan bij andere werken uit het oeuvre van Vandenabeele. De fotoreeks roept zelfs enkele vroege werken op zoals de spraakmakende theatervoorstelling WASSEN (1985), waarin wastafels ook een belangrijke rol speelden. Andere werken uit de jaren 1980 bedienden zich eveneens van thema’s en motieven die verwijzen naar de badkamer of het toilet zoals de classificaties van zepen, tandpastatubes of  gevouwen stukjes toiletpapier. Vandenabeele was daarbij geïnteresseerd hoe identieke, gestandaardiseerde voorwerpen individuele eigenschappen verkregen door de manipulatie van hun verschillende gebruikers. Stukken zeep, die oorspronkelijk min of meer een identieke vorm hadden maar door hun gebruik elk een aparte gedaante verwierven, werden bijvoorbeeld in een vitrine ten toon gesteld op een wijze die herinnert aan een presentatie van silexen in een archeologisch museum. Met zijn in een raster geplaatste gelijkaardige foto’s appelleert LAVABO aan deze eerder gehanteerde taxonomische aanpak. Bovendien wordt hier de drang tot classificatie opnieuw toegepast op de dagelijkse, banale en prozaïsche wereld van de badkamer en het toilet.

 

5.

De overloopgaten brengen ons onmiddellijk naar een concrete historische periode. Dit zijn overduidelijk geen wastafels of waterbekkens die deel uitmaken van een verzameling liturgisch vaatwerk of stukken die een eeuwenlang gebruik of tijdloze sfeer oproepen. Overloopgaten wijzen op een relatief recente periode waarin stromend water constant voorhanden is en waarin sanitair zich heeft genesteld in de beschutte wereld van het huis. In een tijdperk van overloopgaten wijst de badkamer niet langer op een sacrale bron maar markeert ze veeleer een plek waar water voorhanden is dat tevens met een hydraulische efficiëntie in een oogwenk verwijderd kan worden. Overloopgaten zijn onmiskenbaar producten van de industriële moderniteit en een cultuur die geld, energie en esthetisch talent investeert in de meest efficiënte afvoer van vuil water. Francesco Milizia vergeleek al in 1787 in ongunstige zin de sacristie van de Sint Pieterskerk in Rome met de cloaca maxima, het voornaamste rioleringsstelsel van de eeuwige stad.  Maar pas in de negentiende en twintigste eeuw zal binnenhuiselijk sanitair tot een ware doch ietwat onzichtbare kunstvorm worden verheven dankzij een ingenieus systeem van watertorens, leidingen, pompen, waterreservoirs, hydroforen, expansievaten, kranen, sproeiers, afvoerbuizen, zwanenhalzen, bezinkbassins, overlooppijpen, terugslagkleppen, watersloten en zuiveringsinstallaties. De Weense architect Adolf Loos omschreef in 1898 de loodgieter als “de belangrijkste ambachtsman van de staat, de kwartiermeester van de overheersende cultuur van vandaag.”  Naast Loos celebreerden ook andere protagonisten van de moderne architectuur de schoonheid van het sanitair. De eerste afbeelding uit L’art décoratif d’aujourd’hui (1925) van Le Corbusier is een foto van een bidet. In Mechanization Takes Command, Sigfried Giedions fascinerende boek uit 1948 over de wijze waarop de mechanisering en industrialisatie ons dagelijkse leven meer en meer zijn gaan bepalen, is het laatste hoofdstuk zelfs integraal gewijd aan de badkamer, die uitgroeide tot een waar symbool van het moderne leven.  Met Fountain (1917) van Marcel Duchamp is een stuk sanitair ook één van de meest belangrijke, beroemde en controversiële kunstwerken van de avant-garde geworden. Dit op een sokkel op zijn rug neergelegde urinoir werd, zoals bekend, ook vlug in meer lyrische bewoordingen omschreven als “de Boeddha van de Badkamer” of “de Madonna van de Badkamer.”  Dit werd onder meer ingegeven door Alfred Stieglitz’ beroemde foto van het werk die een soort omhullende schaduw vertoonde – stukken van een gelijkaardige afgeronde schaduw zijn ook op sommige beelden van LAVABO te zien. Duchamps ready-made illustreert overigens een sterke belangstelling voor toiletten en sanitaire toestellen onder dadaïstische en surrealistische kunstenaars gezien ook Louis Aragon, Paul Citroen, E.L.T Mesens, Man Ray, Salvador Dali en Luis Buñuel opmerkelijke werken met badkamermeubilair hebben gecreëerd.  Het lijkt alsof men in de kunst pas volledig besef kreeg van de impact van de industriële moderniteit wanneer deze na de Eerste Wereldoorlog de intieme wereld van de dagelijkse lichaamsverzorging was binnengedrongen. Waar Duchamps Fountain alludeert op de confrontatie tussen lichamelijke processen en industriële standaardisatie, evoceert Vandenabeeles LAVABO de spanning tussen hygiënische zichtbaarheid en smoezelige duisternis.

 

  1. Italo Calvino, De onzichtbare steden (1972) (Amsterdam: Bert Bakker, 1981), 48-49.
  2. Lukas Vandenabeele, “De deksels,” Boek 68 (6 december 2012).
  3. Lukas Vandenabeele, aantekening in Boek 53,1 (3 mei 2004).
  4. Francesco Milizia, Roma: Delle belle arti del disegno. Parte prima: dell’Architettura Civile (Bassano, 1787).
  5. Adolf Loos, “Die Plumber,” oorspronkelijk verschenen in Neue Freie Presse (17 July 1898). Tevens opgenomen in Adolf Loos, Ins Leere Gesprochen 1897-1900 (Wien: Georg Prachner Verlag, 1981), 101-107.
  6. Sigfried Giedion, Mechanization Takes Command: A Contribution to Anonymous History (1948) (New York: W.W. Norton Company, 1969), 628-713. Zie ook William W. Braham, “Sigfried Giedion and the Fascination of the Tub,” in Nadir Lahjiji & Daniel S. Friedman (eds.), Plumbing: Sounding Modern Architecture (New York: Princeton Architectural Press, 1997), 201-224.
  7. Zie Thierry De Duve (ed.), The Definitively Unfinished Marcel Duchamp (Cambridge, MA: MIT Press, 1991).
  8. Louis Aragons tekst “L’Invention” werd in La Révolution Surréaliste (december 1924) geïllustreerd met een film still van Buster Keaton in een badkamer; Paul Citroens tekening Hollandia (1921) toont een toilet; E.L.T. Mesens nam beelden van toiletten op in publicaties als Oesophage I (1925) en Idolatry and Confusion (1944, met J. Brunius); Man Ray publiceerde foto’s van toiletten in Variétés, Numéro hors série, “Le Surréalisme en 1929” (Juin 1929); Salvador Dali liet zich in een badkuip portretteren in het Ambassador Hotel in Los Angeles in 1944 en maakte in 1948 een tekening getiteld Bathroom Soliloquies; Luis Buñuel maakte met L’âge d’or (1930) en Le fantôme de la liberté (1974) de twee meest memorabele toiletscènes uit de filmgeschiedenis.