Boek 53,1

Boek 56,2

Boek 59,3

Boek 64

Boek 64

Boek 68

 

 

3 mei 2004

 

Hoe de duisternis toch altijd de minderwaardige wordt van de klaarte. Meedogenloos is ze door onze lampen geblameerd : zaklampen, leeslampen, straatlampen, buislampen. Namen die geenszins wijzen op enige schuldvraag en die hun alibi vinden in de grote lamp : de zon.

 

Omsloten door mijn huid is binnen in mij duisternis. Hart, maag, nieren, lever, darmen. Zij zien elkaar niet en in de donkerte doen zij hun werk.

 

En is het niet degene die in het licht aan het neerschrijven is, die smalend beweert dat er aanvankelijk duisternis was op de afgrond en dat het eerste gebeuren het maken van het licht was, dat aan de duisternis een beeld koppelde en een woord. De schrijver is de collaborateur van het licht. Er is geen ander die er iets over kan zeggen.

 

En hoe voelen zich hart, maag, nieren, lever en darmen als er plots in die grote krochtige nacht een sonde binnendringt, een oog en een lamp, op zoek naar ik weet niet wat. Schamen zij zich dan over hun duisternis zoals die zogezegde eerste afgrond deed? Het lijkt er wel op, want opgesloten in die warme donkerte en gestuwd door een samenzweerderig verlangen, hebben zich verhardingen ontwikkeld en als de tijd gekomen was hebben zij zich door die huid naar buiten gepriemd en zich getoond : ogen, de sleepdragers van het licht.

 

Het verraad was geschied. De duisternis verraden, de eerste dag.

 

En is het nu en dan neerlaten van de oogleden niet een verlate flauwe weerstand van die gedupeerde en verzwakte duisternis  -  een ver heimwee naar de gesloten huid en de blijvende nacht daarbinnen?

 

 

 

12 april 2005

 

Hoeveel ongekende nachten zijn er nu niet gevallen over mijn bestaan, waardoor ontelbare dingen in onkenbaarheid zijn gehuld. En nu de enige gekende nacht is opgetrokken, rest mij nog een kleine glimp tot de invallende duisternis vanavond haar verdwijningswerk zal afmaken.

 

En kijkend overdag naar de dingen, kijk ik ook naar die ongekende nachten die schuilgaan in alles wat ik zie, en in alles wat ik niet zie. En in hun onkenbaarheid bedekken die nachten ook de ontelbare woorden die hen tot leven zouden wekken.

 

Het is in die nachten dat ik wil leven, doch mijn longen zijn gevormd uit alles en voor alles, dat met woorden is gemaakt.

 

Laat de nachten in mij komen en ik hen kan worden, zodat zij niet meer hoeven te zijn en met woorden dienen opgespoord te worden.

 

Alles wat die nachten verhullen omhels ik in zijn onkenbaarheid. Het zijn niet mijn armen die in dit verlangen het werk kunnen doen en geen voetstap zal mij dichter brengen waar ik moet zijn. Niets wat wind maakt zal mij de richting wijzen.

 

O spotziek lot, het is de weg van deze woorden die mij zal brengen tot een grens, waar men de woorden achter zich dient te laten. En met de aanloop van deze letters zal ik gestild de sprong wagen, blind verliefd op het zwart van deze in mijn rechterhand langdurig opgewarmde inkt.

 

 

 

21 februari 2006

 

Het regent. Tegen mijn venster vliegen de druppels die bestemd waren voor beneden. Soms schuiven ze nog een paar centimeter verder grondwaarts, en tonen zo hun initiële zending. Ikzelf ben twee lange trappen opgegaan en waar die regen verhinderd wordt verder neer te vallen zit ik te werken. Het zint me wel dat hier zijn val gebroken wordt.

 

Uit mijn pen valt de inkt tot woorden naar beneden. Niets belet die inkt zijn definiërende val te doen. Hij heeft minder geluk dan die regen.

Al was het maar dat nu en dan een fractie letter op zich liet wachten, een woord, een zin. Een opgehouden zin, voorgoed vermist.

 

Dan maak ik in mijn pen een ruimte vrij waar die verloren letters en woorden een opvang krijgen – blijvend verborgen in de donkerte van zwarte plastiek. En zo heb ik in mijn rechterhand een schrijvende pen, doch ook een kleine kamer vol verloren waan.

 

 

 

03 dec 09

 

Ik hoor de chauffageketel aanslaan. Ik ben niet alleen. De rest rond mij, en dat is zeer veel in deze kelder, is stil. In stilstand verzwijgen zij dat zij er zijn. Ik heb er vertrouwen in, ik hoef ze niet te zien.

Al jaren is het hier zo. Alles staat of ligt hier stil, en daarvan is het alleen de chauffageketel die, goed geregeld, van zich laat horen, tot hij ook stilvalt. En dan is het nog schoner: Alles zwijgt.

Toch niet. Mijn oog is hier binnengedrongen en ziet het. Het betast de ingedommelde dingen. En kijkend vraagt mijn oog dat ze gaan spreken. Mijn oog vraagt dat ze tonen dat ze slapen. Het is mijn oog dat zegt: Gij zijt er.

De keldervrede is gebroken.

Hoeveel kelders in deze straat, volgepropt of leeg, worden nooit bezocht. Kelders waar de lucht tussen de dingen, de lucht tussen de muren nog nooit door een binnendringend oog is geroerd. Kelders waar daardoor een hechte solidariteit is tussen al de dingen, en al de dingen en de stilstaande lucht ertussen. Zo hecht, dat in die immense stabiliteit alles gelijk is geworden.Het ongeziene is overal gelijk.

De ogen zijn er. Maar het schoonste is niet voor hen bestemt.

 

 

 

 

 

 

7 maart 2010 Geen poort die zich zo goed sluit als mijn lippen. De vlezige deuren leggen zich geruisloos tegen elkaar. Dan wordt het donker in mijn mond. En daar ligt zij dan: de tong.In haar donkere natte bedding verschuift zij wat, rolt zij wat, glijdt zij wat. Zonder klank.De talloze woorden die zij nog uit te sturen heeft bij middel van haar precieuze zetting hangen wat rond onder de koepel van haar gerimpelde hemel. Geen oor dat hen kan vangen.Ver van deze gevangenis, waar zij woorden worden, hoeven zij zich niet op te maken en zich te ordenen naar de wetten van buiten, die dreigen als de lippenpoort wat openwaait. Woordenloze woorden. Met het sluiten van mijn kleine mond is de wereld een donker hol.Zonder het licht van mijn woorden tasten dingen. Zij kunnen niets worden.

 

 

06 dec 2012                                                      St.-Niklaas

 

 

DE DEKSELS

 

Hier en daar in dit huis, eerder uitzonderlijk, is de duisternis nog niet geschonden. Sommige kookpannen die al heel lang niet meer gebruikt worden, bewaren in zich die randenloze donkere ruimte. Zij staan daar in de keukenkast. Onder hun deksel heeft het dagelijks opkomende licht geen toegang. Het is in dat licht dat ik beweeg. Meer nog: Uit diezelfde intrige die met het licht is binnengetuimeld, ben ik gegroeid tot wat ik nu ben. In de totale opschudding die het ontstane licht met zich heeft meegebracht, herken ik mijzelf.

Het is nu zo.

Maar de dingen bewegen ook ten goede. Straks keren wij ons weer weg van dat licht en valt de nacht. Het is winter, de nacht mag er lang zijn.

Vanavond, als de kering geheel is, ga ik tastend naar de keuken en zal ik de deksels oplichten. En in een bewegingsloos gebeuren van verzoening raakt dan die grote verse duisternis die kleine oude restant.

En omdat duisternis geen geschiedenis kent en noch groot noch klein is, staat slechts deze kijkende pen een volkomenheid in de weg..

Een kleine volkomenheid.