Redevoering Intrede Koninklijke Vlaamse Academie

van België voor Wetenschappen en Kunsten

 

 

...

 

Wat ik wel weet is dat mijn geest zich altijd graag gelaafd heeft aan wat mijn ogen als informatie binnenbrachten, laten we zeggen, de dingen, de relatie ertussen, de details, concreetheden en nuances, ik hou ervan, doch naar ik meen: Nooit is daaruit scheppend werk ontstaan.

 

Het is het andere, waar diezelfde dingen niet aanwezig zijn en daardoor plaats maken voor een naadloze en grenzeloze ruimte, waar mijn ogen geen verstand van hebben, dat juist heeft mij in gang gezet. Het sluiten van de ogen, niet om niets te zien, maar om te kijken naar wat niet zichtbaar is.

En misschien is het omdat in onze cultuur de onzichtbaarheid nog niet genoeg gemaakt is, dat ik aan de slag ben gegaan, want hoe dan ook, alles waar wij het over hebben, moet gemaakt worden, ook de afwezigheid van zichtbaarheden.

 

En in de bewondering, maar ook de afwijzing van de sterke oplossingen uit het verleden, die uit een gelijkaardig verlangen gegroeid zijn, is mijn wereld opgestart.

 

Is er niet een immense wijsheid aanwezig in de opbouw van ons lichaam? Vingers, nagels, gewrichten etc., alles is uit een noodzaak ontstaan.

Het is vooral met onze voorkant dat wij de wereld in ons opnemen: Ogen, mond, neus, oren, voeten, armen… Alles is naar voor gericht.

Maar er is nog een grotere zone, die zich niet opent, die de dingen niet aanraakt, noch koloniseert. De geslotenheid van het achterhoofd, de rug, de rug van de hand… Met niets daarvan neem ik de wereld. Het is deze schone geslotenheid die in ons lichaam zijn plaats heeft opgeëist, die het verlangen verraadt naar de grote nacht, naar het slapen van de letters in de inktpot.

Want wat dat betreft zijn woorden spelbrekers: De inkt valt in mijn pen neer tot voorstel, tot propositie van een werkelijkheid, taxeerbaar en genaad. Maar het is juist in het tegenovergestelde dat ik wil belanden:

Het dichten van alle naden.

Doch alles wat landt krijgt een identiteit. Door de sterren een naam te geven haal ik ze naar beneden. En dit is niet wat ik wil en nodig heb.

 

Het is de nacht die ik wil herstellen. Niet zozeer de fysieke nacht, maar de nacht, waarin ontelbare dingen in onkenbaarheid zijn gehuld. Het zijn de ongekende nachten die schuilgaan in alles wat ik zie en in alles wat ik niet zie. Het zijn de nachten die in hun onkenbaarheid de ontelbare woorden bedekken die hen tot leven zouden wekken.

Het is in die nachten dat ik wil leven, doch mijn longen zijn gevormd uit alles en voor alles dat met woorden is gemaakt. En bijgevolg met kennen. Maar kennen is uitgedreven zijn.

In het zien van de dingen zie ik verlies.

 

’s Ochtends, voor het gloren roept de haan het licht op, de intriges van de dag, het wakkere waaien van de dingen in mijn hoofd.

Ik ben die andere haan, die de nacht weer herstelt, die de plaats herstelt die geen plaats mag zijn en door geen enkele wijsvinger aangeduid kan worden. De plaats die door ons verlangen de vrijheid ontnomen is om niets te zijn.

 

Doch, verder dan een mank beeld dat zich als een sluier gedraagt, als een voorhangsel, geraak ik niet. Het loopt altijd uit op een gemist rendez-vous.

Dan maar een kortstondig genoegen vinden in de kleine ontdekkingen, de fossiele restanten van de zogenaamde initiële duisternis, zoals nu: In mijn gesloten mond de donkerte. Die door het licht van deze zaal gekliefd wordt, telkens mijn lippenpoort opengaat en ik een woord uitbreng.

Geen woord zonder licht, het is mijn kleine Genesis I .

Soms in het onschuldig jargon van de dagelijksheid herkent men de bestendigheid van de grote mythes.

 

En de taal waarin ik het formuleer is plechtig en gedragen, want ik wil dat deze geschreven tempel op een heel verre heuvel, de aantrekkelijke wind van alledag mag trotseren.

Zo te zien, zover van deze schone tempel die deze Academie is, woon ik nu ook weer niet.

Deze intrede in dit huis doe ik met de intentie om er werk van te maken.

 

Ik dank u.

 

Lukas Vandenabeele, Brussel 16 januari 2013