Lukas Vandenabeele (°1951) schreef in de faculteit Kunstgeschiedenis (U.G.) zijn thesis over een cisterciënzerarchitectuur. Hij ging daarna theater studeren in Parijs bij Etienne Decroux, wiens werk eerder met het rituele Nô-theater dan met het realisme van Stanislavski te maken heeft. In Parijs was hij medewerker van Ella Jaroszewicz. Tot zijn 35 jaar maakte hij creaties in het danstheater, die omschreven werden als profane mystiek. Met de productie WASSEN (1985) heeft hij naam gemaakt.

 

Sinds 1986 bouwt hij aan een plastisch oeuvre, dat getuigt van eenzelfde verlangen als waaruit zijn dansarbeid is ontstaan. Een continuïteit in de eerste jaren van dit plastisch oeuvre is de afstandelijkheid waarmee hij de wereld taxeert, het zich niet moeien met wat hijzelf maakt, het volgen van externe mentale en fysieke directieven. Deze afstandname resulteerde gaandeweg in een verhoopte werkelijkheid zonder gewaarwording, zonder beelden – en vooral in de onmogelijkheid dat “onbemeubeld zijn” te raken. Hij noemt dit het gemiste rendez-vous. Met zijn pen waaruit de zwarte inkt neervalt tot woorden en beelden, krijgt hij een dubieuze verhouding. Immers, het is diezelfde pen die zich gesteld heeft een woord- en beeldvijandige wereld te creëren. In deze voortdurende valstrik zoekt Vandenabeele zijn bewegingsruimte.

De blindheid, de duisternis, de kleine fossiele overblijfselen van de zogenaamde initiële duisternis, de prothesen, de ellenlange oefeningen in het niet zien. Niets ervan helpt hem om de plaatsloosheid te raken. Het netvlies wordt een obstakel, bij zoverre dat alles wat hij toont maar betekenis heeft in de mate dat het zijn eigen afwezigheid in de weg staat.

Zijn oeuvre is een tocht naar afwezigheid. Zijn paradox is dat hij de blik op die afwezigheid wil bewaren.